ONTWERP EN VORM

ONTWERP EN VORM

Whatever an architect comes up with in terms of shape and concept, the appearance and the form are ultimately subservient to the function. Nevertheless, as a true artist, the architect searches for liberties in his design, thus enlarging our world of shapes.

WAT EEN ARCHITECT OO K BEDENKT ALS HET GAAT OM VORM EN CONCEPT, HET UITERLIJK EN DE VORM ZIJN UITEINDELIJK ONDERGESCHIKT AAN DE FUNCTIE. TO CH ZOEKT DE ARCHITECT IN ZIJN ONTWERP ALS EEN WAR KUNSTENAAR NAAR VRIJHEDEN. ZO VERGROOT HIJ ONZE VORMENWERELD.

Het allermooiste voorbeeld uit de architectuurgeschiedenis is misschien wel de Cénotaphe à Newton, die Etienne-Louis Boullée in 1783 ontwierp voor Isaac Newton, uitvinder van de zwaartekracht. Dit ontwerp, een bolvorm ondersteund door twee cilinders, is een utopisch idee dat de wetten van de zwaartekracht tart. Toch is het niet alleen de genialiteit van Newton die hier wordt gevierd; het ontwerp is evenzeer een aansporing voor architecten om met het aardse en alledaagse geen genoegen te nemen. Alleen het sublieme is goed genoeg. Vanuit een heel andere invalshoek kwam Gaudí tot zijn revolutionaire ‘vormentaal’. Hier is juist het ultieme aardse de leidraad. De wetten van de zwaartekracht worden onderzocht met behulp van een systeem van kettingen. Om de krachtlijnen van zijn constructies te onderzoeken, spande hij draden binnen een raamwerk. En zo ontstond de Sagrada Familia. De eerste steen werd gelegd in 1882. De innovatieve constructie en het gebruik van materialen waarmee tot de dag van vandaag wordt gewerkt, maakt het project tot een interessant avontuur. 

Organische vormen in Gaudi's Casa Batlló

‘Vorm kan worden ontdekt als de natuur van iets en ontwerpen streeft op een precies ogenblik het gebruik van de natuurwetten na door ze tot een Zijnstoestand te brengen via het spel van licht.’ Dit nogal plechtig geformuleerde citaat van de Amerikaanse architect Louis Kahn, legt een verband tussen ontwerp en vorm. Bij Kahn is de vorm als het ware het zien van het karakter of het wezenlijke kenmerk van een gebouw. In het ontwerpen worden de zwaartekracht en andere natuurwetten op het juiste moment en op de juiste manier ingezet om ‘tot de architectonische creatie te komen’. Maar als we inzoomen op bijvoorbeeld zijn ontwerp voor het parlementsgebouw in Bangladesh en het Salk Institute in La Jolla in Californië, constateren we dat deze vormen te herleiden zijn tot wiskundige figuren als cirkels, driehoeken, vierkanten, kegels etc. die in een specifieke verhouding tot elkaar staan. Niets nieuws onder de zon; de geschiedenis van de architectuur gaat over geometrische vormen die ten grondslag liggen aan de ontwerpen zelf. Maar het letterlijke en overdrachtelijke krachtenspel is vandaag de dag wel wat complexer geworden. Ontwerp en vorm worden namelijk in grote mate bepaald door de nieuwste materialen en technologieën, waaronder moderne computer- en bouwtechnieken. De architect krijgt steeds meer andere, nieuwe vormen ter beschikking gesteld. Bij de technische uitvoering kan de ontwerper het gehele project meestal niet langer beheren en overzien zonder hulp van buitenaf. Terwijl de rekenkracht van computers en de innovatie in 3D-ontwerp zich verder ontwikkelt, worden vormen dan ook mede bepaald door de technische specialisten en door de bouwtechnische mogelijkheden.

Gewelfde vormen in het Guggenheim museum in Bilbao

DE VRIJHEID VAN VORM

Die mogelijkheden namen vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw snel toe. Architecten grepen deze kansen met beide handen aan. Het feestelijk benutten van de nieuwste technische mogelijkheden was de kracht van het postmodernisme. In plaats van het strenge ‘less is more’ van de modernisten predikten de postmodernisten ‘less is a bore’. Het saaie van de minimalistische vormen werd bestreden met een rijkheid aan vormen. Vormen kunnen de indruk wekken dat een gebouw lichter of zwaarder, zachter  of harder, groter of kleiner is. Deze indrukken hangen nauw samen met de gebruikte materialen. Zo lijken muren van natuursteen zwaarder dan die van baksteen. En aluminium kozijnen lijken lichter dan houten. Op het gebied van materiaal mocht weer meer en de hegemonie van wit werd doorbroken door andere kleuren. Devorm regeerde triomfantelijk over de functie van een gebouw. Vierkante witte dozen maakten plaats voor bontgekleurde gebouwen die de draak staken met de historische bouwstijlen. Dit in tegenstelling tot Boullée en Kahn die de tempelarchitectuur van de Griekse oudheid zeer serieus namen. Dat deze gebouwen niet direct een relatie met hun omgeving legden, was even van ondergeschikt belang.

Helische vormen van het door Norman Foster ontwopen City Hall in Londen.

VORM EN CONTEXT

In de hedendaagse architectuur is het weer belangrijker om vanuit de vorm nieuwe relaties met de context te leggen. Architecten als Norman Foster, Frank Gehry, Rem Koolhaas, Jean Nouvel, Zaha Hadid en vele anderen leerden hun lessen zowel van de vormvrijheid van het postmodernisme als van de functionele vormgeving van de modernisten. Ze creëren zo ‘the best of forms out of both worlds’: een rijke vormenwereld, waarbij vorm weer duidelijk wordt gerelateerd aan de functie en context van architectuur, zij het met een grote mate van vrijheid.

“JE NE SAIS PAS!”

Vorm en de verwezenlijking daarvan is overigens niet alleen een kwestie die de ontwerper aangaat. Een anekdote over een tijdgenoot van Kahn, Le Corbusier, verwoordt dit fraai. De anekdote gaat over de ‘vorminval’ die Le Corbusier had bij zijn ontwerp voor het destijds veelbesproken paviljoen voor de Expo in Brussel in 1958. Gevraagd hoe zijn ontwerp technisch gerealiseerd moest worden, antwoordde Le Corbusier: ‘Je ne sais pas! Met andere woorden: voor de technische realisering van mijn vormgedachte zijn de bouwingenieurs verantwoordelijk; zij moeten dat zelf maar uitdokteren.’

HET LEVEN VAN VORMEN

In het boekje ‘La vie des formes’ (Het leven van vormen in de kunst) van Henry Focillon uit 1934, stelt de auteur dat vorm niet alleen de lijn, het vlak of het volume is, maar vooral betekenis krijgt in samenhang met de hele plattegrond, de gebruikte materialen en de constructie. Focillon vervolgt: ‘Zelfs aan de technische uitvoering van de ogenschijnlijk fantastische vormen van een architect als de Spanjaard Gaudí, liggen nuchtere constructievormen ten grondslag’. In Gaudí’s tijd was er nog geen computer en ook de beschikbare materialen waren beperkter dan nu. Toch schiep hij een nieuwe vormwereld in overeenstemming met Louis Kahns definitie van een architect. Met de huidige trends van nieuwe materialen, innovatiezin en technische mogelijkheden blijft de architect zich verder ontwikkelen. Met een beetje hulp van bouwtechnieken en constructiespecialisten levert dat fantastische nieuwe vormen op. Want voor een aantal vooraanstaande architecten en technici van deze tijd geldt hetzelfde motto: alleen het sublieme is goed genoeg.