ARCHITECTUUR VAN IEDEREEN

ARCHITECTUUR VAN IEDEREEN

GEBOUWEN WORDEN ONTWORPEN VOOR DE MENSEN DIE ERIN WONEN, WERKEN, SAMENKOMEN, LEREN, ONTSPANNEN, SLAPEN. ALS GEBOUWEN MENSEN BIJ ELKAAR BRENGEN, VRAAGT DIT OM PUBLIEKE RUIMTES. EN HOE MEER MENSEN DEZE PUBLIEKE RUIMTES GEBRUIKEN, HOE NEUTRALER EN EFFICIËNTER DE ARCHITECTUUR MOET ZIJN. VERGELIJK DE FOYER VAN EEN HOTEL MET EEN WINKELCENTRUM EN HET IS DIRECT DUIDELIJK HOE VERSCHILLENDE BEHOEFTEN EN GEBRUIKEN IN DE DIVERSE SCHALEN VAN FUNCTIES EN VIERKANTE METERS VAN INVLOED ZIJN OP HET ONTWERP VAN EEN OPENBARE RUIMTE.

De opkomst van de consumptiemaatschappij in de jaren zestig heeft zowel architecten, aannemers als ontwikkelaars gedwongen hun rol als scheppers van publieke ruimte te heroverwegen. Kunnen ze hoogwaardige ruimtes ontwerpen en tegelijkertijd werken met de ongeschreven wetten van getal en geld? Ze proberen daar op allerlei manieren een evenwicht in te vinden. En als de behoeften van mensen veranderen, verandert ook de architectuur van iedereen. In publieke ruimten hebben mensen de neiging hun eigen plekje af te bakenen, zoals een foto op je bureau op kantoor, of een jas op de stoel naast je in de trein. In grote openbare gebouwen zoals transferia slaan mensen in geval van twijfel bijna altijd rechtsaf en lopen ze naar de lichtste plekken. Bij openbare toiletten worden de toiletcabines meestal in een rij van de ingang af geplaatst omdat mensen er niet van houden recht in een open toiletdeur te kijken. Extraverte mensen hebben minder kantoorruimte nodig dan introverte mensen en richten hun werkplekken doorgaans gezelliger in. En waarom kopen we altijd meer bij IKEA dan gepland? Na een half uur over dat voorgeprogrammeerde pad gesjokt te hebben, willen we onszelf het gevoel geven dat onze tijd toch nuttig is besteed. Al dit soort weetjes over menselijk gedrag komen voort uit wetenschappelijk onderzoek: de omgevingspsychologie.

Alles uit het moment halen

Voor architecten, aannemers en investeerders is dit soort kennis essentieel. Gebouwen als winkelcentra en bibliotheken hebben zich ontwikkeld tot plekken die óók ontmoeting, recreatie, en ontspanning mogelijk moeten maken. Daarmee volgen ze de trend van treinstations, luchthavens en musea. Hierin zijn openbare ruimten ontworpen op het maximaliseren van momenten van zitten en praten, lopen en kopen, verblijven en ontmoeten. En of het nu gaat om de lobby van een appartementencomplex, het atrium van een kantoor, de balie van een ziekenhuis of de foyer van een theater – naarmate het gebruik van een gebouw generieker is, wordt haar vormentaal dat ook. De vormtaal van standaardisatie en consumptiemaatschappij. 

 

Vennsela Library
©Helen & Hard AS - Photo: Hufton + Crow

Welk effect heeft dat op de ontwikkelingen en trends in de architectuur? 

Achter standaardisering gaat de macht van de grote getallen en het grote geld schuil. Standaardisering maakte bijvoorbeeld volkswoningbouw mogelijk en grootschalige productieprocessen, maar het betekende ook dat architecten de vertalers werden van politieke en economische uitgangspunten. Moeten architecten wel zo nauw verbonden willen zijn met de rationalisering van het bouwproces? Of leidt dat af van hun eigenlijke taak: het creëren van een autonome, culturele en ideologische beeldentaal? Deze discussie werd gevoerd in de jaren zeventig van de vorige eeuw, onder aanvoering van Manfredo Tafuri, die in zijn boek ‘Ontwerp en Utopie’ (1975) het verband tussen architectuur en kapitalisme aan de kaak stelde. Wat hij precies duidelijk wilde maken, bleek pas zo’n twintig jaar later, toen eerst de economie en vervolgens ook de architectuur een opleving beleefde. De keerzijde van de architectuur van iedereen is immers ook: een keten, zoals McDonald’s, die overal ter wereld hetzelfde is. En dat leidt niet alleen tot inwisselbare gebouwen, maar ook tot inwisselbare steden. De Franse antropoloog Marc Augé benoemde dit verschijnsel in 1992 in zijn studie ‘Non-lieux. Introduction à une anthropologie de la surmodernité’.

De vergaderdekken en loopbrugge, op het hoofdkantoor van Barco zijn als een venster op de activiteit in het centrale atrium.

 

©Jaspers-Eyers Architects - Foto: Philippe Van Genechten

Perth Arena: kleurschema's en met hout beklede wandelgangen

©ARM+CCN, a joint venture of ARM Architecture and CCN Architects - Photo: Stephen Nicholls

De leefomgeving van mensen wordt steeds onpersoonlijker. Al die transferia, winkelcentra en appartementencomplexen noemt hij ‘non-lieux’, niet-plaatsen. Gebouwen voor de massa waar je je als individu niet toe verhoudt: je wordt geboren en sterft in een ziekenhuis (in plaats van in je eigen bed), je viert vakantie in een all-inclusiveresort (in plaats van in een lekkend tentje), en je doet boodschappen in een supermarkt (in plaats van bij de bakker om de hoek). Zo verblijft de mens een groot deel van zijn leven in onpersoonlijke, anonieme gebouwen en ruimten. Het is duidelijk geworden dat het bij het ontwerpen van deze onpersoonlijke ruimten van cruciaal belang is om ze persoonlijker te maken en een doel te geven. Onderzoek zoals hierboven beschreven helpt architecten daarbij. We weten dat in appartementencomplexen mensen minder geneigd zijn zich terug te trekken in hun eigen woning als de route erheen levendiger en uitnodigender is. Daarom creëren architecten nu hun plattegronden met ruimten voor ontmoeting en beschutting. Een dergelijke aanpak werkt vanzelfsprekend niet op een vliegveld – daar is maximaal overzicht en licht juist een voorwaarde om mensen in beweging te krijgen. De behoefte aan een beschut territorium lossen ontwerpers dan op door bijvoorbeeld lage afbakeningen in ruimten te maken zoals muurtjes en hagen, en door ruimte te ontwerpen tussen stoelen zoals op luchthavens. Een interessant voorbeeld is Perth Arena (zie p. 14), een stadion voor concerten en sportevenementen in Australië. Om dit enorme gebouw een menselijke maat te geven, werden de façades in kleinere verdeeld en zijn felle kleuren en houten passages toegepast. Toch zijn dergelijke gebouwen in de eerste plaats efficiënte machines, die - hoewel de publieke ruimten vol zorg zijn vormgegeven - vooral inspelen op het efficiënt (ver)plaatsen van personen.

Uniciteit

Maar waar de bouwproductie afneemt, is standaardisering en grootschaligheid minder aan de orde. Bovendien hebben mensen de neiging om vakmanschap en uniciteit meer te waarderen. Niet voor niets zijn in Europa markthallen ineens erg populair, zoals de markthal van Robbrecht Daem in Gent of die van MVRDV in Rotterdam. Een goed voorbeeld is ook de Sir Duncan Rice bibliotheek in Aberdeen van schmidt hammer lassen architects. Hier is het atrium niet (alleen) toegepast als ruimtelijk spektakelstuk, maar als inkijkje in de activiteit binnen het gebouw door de slimme toepassing van een vortex: de verdiepingsvloeren in het atrium verschuiven per verdieping iets ten opzichte van elkaar. Hierdoor ontstaat een dubbel-effect: zowel van bovenaf als van beneden kun je naar andere verdiepingen kijken. Dat geeft het gevoel alsof je in een poppenhuis kijkt, of in een bijenkorf. In een oogopslag zie je de boeken, de studenten, de groepjes, het leven. Architecten, opdrachtgevers en gebruikers zoeken naar manieren om juist het collectieve en het ambachtelijke te onderzoeken. In de moderne architectuur is ‘ruimte maken’ een belangrijk thema geworden, meer dan efficiëntie. Dat sluit aan op een verschuiving in wat mensen verwachten van publieke ruimten: een gevoel van collectiviteit, een ervaring, een unieke plaats die ze herinneringen en verhalen biedt. Het gaat niet langer om het efficiënt opgaan in een grote ruimte, maar om het gevoel onderdeel te zijn van een groter geheel.